|
Vlas 'Flas' De oorsprong van het vlas ligt in België en Noord-Frankrijk. Het werd in de afgelopen eeuwen veel verbouwd in deze streken. Vlas wordt medio april gezaaid en bloeit omstreeks de langste dag (21 juni). Het bloeit alleen 's morgens tot ongeveer 12 uur met heldere witte of blauwe bloempjes, afhankelijk van het ras. Vroeger werd het vlas met de hand geplukt en aan schoven gebonden. Daarna werd het aan zgn. blokjes gezet om te drogen en vervolgens op driepootruiters geplaatst, het zgn. schelven. Vanaf daar werd het ingeschuurd. in de winter- maanden werd het vlas gerepeld; de zaadknoppen werden er afgehaald. Daarna werd het zaad gedorst, het zgn. knop breken. Uit het zaad perste men lijnolie dat voor vele doeleinden werd gebruikt o.a voor de bereiding van verf. Van wat er overbleef werden iijnkoeken geperst, die als veevoer dienden. Het restproduct werd gebruikt voor de bereiding van allerlei soorten mengvoeders. De overgebleven stengels werden in een sloot of vaart onder water geroot (rotten), om vervolgens weer gedroogd te worden. In de wintermaanden werd het vlas gebraakt in de talloze braakhokken die zich op het Bildt bevonden. De bast werd gekneusd en men hield de 'sjudden' en de 'hide' over. De 'sjudden' vonden met name in en na de Tweede Wereldoorlog gretig aftrek als brandstof. De 'hide' onderging nog een aantal bewerkingen zodat er uiteindelijk een product overbleef waar men linnen van weefde. Met de opkomst van de kunststoffen was de teelt van vlas op de akkerbouwbedrijven niet meer rendabel. Daardoor verdween dit unieke gewas omstreeks 1980 uit de Bildtse dreven. Zaadopbrengst van vlas bedraagt ongeveer 1.200 kg/ha en het stro -het vlas- 8.000 kg/ha. |